Home In het nieuws Wetsvoorstel ‘Markt en Overheid’ ingediend bij Tweede Kamer

Op 25 februari jl. is een voorstel tot wijziging van de Mededingingswet ingediend bij de Tweede Kamer. Het voorstel heeft ten doel gedragsregels te introduceren voor overheden om bij het ondernemen van marktactiviteiten oneerlijke concurrentie te voorkomen. Het wetsvoorstel biedt ondernemingen de mogelijkheid hun beklag te doen bij de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) over (decentrale) overheden die commerciële activiteiten ondernemen die concurrentievervalsend werken. De bevoegdheden van de NMa worden uitgebreid om onderzoek te kunnen doen naar klachten over de overtreding van deze gedragsregels. Bij geconstateerde oneerlijke concurrentie kan de NMa aan het bestuursorgaan, waaraan de overtreding kan worden toegerekend een verklaring van overtreding, een last onder dwangsom of een boete opleggen.

 

Doelstelling en decentrale gevolgen voorstel
Doelstelling van het voorstel is om zo gelijk mogelijke concurrentieverhoudingen te creëren tussen overheden, rekening houdend met de specifieke publieke taak van de overheid, en (andere) particuliere ondernemingen. Het wetsvoorstel bevat gedragsregels waar overheden zich aan moeten houden met betrekking tot de bekostiging van ondernemersactiviteiten, het hergebruik van gegevens verkregen voor de uitvoering van de publieke taak en het voorkomen van functievermenging. Omdat het gedragsregels betreft die overwegend mededingingsrechtelijk van aard zijn worden deze in de Mededingingswet opgenomen en houdt de NMa toezicht op de naleving hiervan. Door toepassing van de gedragsregels zullen overheden meer oog moeten krijgen voor de mededingingsaspecten van overheidsmaatregelen. Daarnaast heeft het wetsvoorstel raakvlakken met onder andere staatsteun en aanbesteden (zie paragraaf 1.5 van de Memorie van Toelichting (MvT)). Paragraaf 6.2 van de MvT gaat nader in op de gevolgen van het wetsvoorstel voor decentrale overheden. De daadwerkelijke gevolgen van het wetsvoorstel voor de praktijk van decentrale overheden zullen naar verwachting voor een belangrijk deel pas na verloop van jaren zichtbaar worden. De evaluatie die na vijf jaar is voorzien, biedt een handvat de gedragsregels waar nodig bij te stellen.
De VNG geeft aan van mening te zijn dat er sprake is van overbodige symboolwetgeving. De Markt en overheidproblematiek wordt nagenoeg geheel geregeld door de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang. Dat wat niet door Europese regels wordt bestreken is verwaarloosbaar.

Reikwijdte gedragsregels
De reikwijdte van de gedragsregels wordt bepaald door een aantal factoren (zie paragraaf 2.1.4 van de MvT). Om te beginnen moet sprake zijn van een overheidsorganisatie. Onder overheidsorganisaties worden in dit wetsvoorstel verstaan het rijk, de provincies, de gemeenten, de waterschappen en de zelfstandige bestuursorganen die een publiekrechtelijke status hebben. Ook gemeenschappelijke regelingen die geen eigen rechtspersoonlijkheid hebben, worden als overheidsorganisatie beschouwd. Voorts heeft het wetsvoorstel alleen betrekking op overheidsorganisaties die een economische activiteit verrichten of laten verrichten door een aan hen gerelateerd overheidsbedrijf. Onder een economische activiteit wordt verstaan het aanbieden van goederen of diensten aan derden op een bepaalde markt. Een overheid kan haar publieke taak uitvoeren door middel van economische activiteiten. Voor zover dit leidt tot concurrentievervalsing kan dit worden gerechtvaardigd door het publiek belang dat met het verrichten en financieren van deze activiteiten is gemoeid. Om die reden worden in de gedragsregels uitzonderingen gemaakt voor gevallen waarin het publiek belang noopt tot de financiering van de desbetreffende activiteiten.
De gedragsregels gelden alleen indien geen sprake is van staatssteun in de zin van artikel 87, eerste lid, van het EG-Verdrag. Over de verhouding tussen de gedragsregels, de staatssteunregels en het aspect van interstatelijkheid daarbij bevat paragraaf 2.1.3. van de MvT nadere informatie.
Gegeven de wenselijkheid van een eenduidig regime geldt het wetsvoorstel in beginsel voor alle sectoren waarin de overheid optreedt als aanbieder van producten of diensten.

Excepties
In de wetswijziging zijn uitzonderingen gemaakt voor een aantal sectoren, te weten voor onderwijs en onderzoek, de publieke omroep en, tot op zekere hoogte, sociale werkplaatsen. Het betreft sectoren waar veelal organisaties met een publiekrechtelijke respectievelijk privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid naast elkaar opereren en waarvoor reeds een wettelijk regime geldt dat eveneens effectief is in het bevorderen van gelijke concurrentieverhoudingen. Om die reden bevat het wetsvoorstel een uitzondering voor de genoemde sectoren. Het wetsvoorstel geldt niet voor economische activiteiten ten behoeve van andere overheden. Men kan spreken van een vorm van zelfvoorziening binnen het totale ‘overheidsconcern’.

Uitgangspunten gedragsregels
Bij het opstellen van de gedragsregels zijn vier uitgangspunten gehanteerd (zie paragraaf 2.1.2 MvT). Het eerste uitgangspunt is dat voor overheden die als ondernemer actief zijn moeten zoveel mogelijk dezelfde concurrentievoorwaarden gelden als voor ‘gewone’ ondernemingen.
Het tweede uitgangspunt is bestuurlijke autonomie van overheidsorganisaties bij de keuze om de markt te betreden. Het staat overheidsorganisaties, binnen de grenzen van de bestaande wetgeving, vrij economische activiteiten te verrichten dan wel ondernemingen te belasten met de uitvoering van taken van algemeen economisch belang. Hieraan stelt dit wetsvoorstel geen criteria of eisen.
Het derde uitgangspunt is dat de gedragsregels zo direct mogelijk aangrijpen bij de (beslissings)bron van de concurrentieongelijkheid. Dit betekent dat het aangrijpingspunt van een schending van de gedragregels door een overheidsorganisatie die economische activiteiten verricht, de overheid zelf is. De overheidsorganisatie heeft directe invloed op het gedrag van het overheidsbedrijf en wordt daarom hierop in dit kader aangesproken.
Het vierde uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande, bekende begrippen en regelgeving op nationaal en Europees niveau en bij het handhavinginstrumentarium van de Mededingingswet.

Procedureel
Op 11 maart is een eerste procedurevergadering van de vaste kamercommissie EZ over de behandeling van het wetsvoorstel gepland. Europa decentraal zal de ontwikkelingen rond de behandeling van dit wetsvoorstel nauwlettend blijven volgen en u daarover zonodig berichten.
 
 
Bron: Europa decentraal.nl   (10/03/2008)
  

 

This content has been locked. You can no longer post any comment.


 

 "AANBESTEDEN OP MAAT !!! "

Geen verrassingen achteraf, maar een eerlijke projectmatige aanpak en optimaal rendement voor uw aanbesteding door een team van aanbestedingsprofessionals met gedegen ervaring per produktgroep!

 Bel 070-3029040 of mail Info@inquest.nl

 

INKOOPTALENTEN

INTERIM HOTLINE